Artikel 2 Woondoeleinden (W)

Doeleindenomschrijving

1. De gronden op de kaart aangewezen voor Woondoeleinden (W) zijn bestemd voor:

a.       ter plaatse van de gronden zonder subbestemming: het wonen met bijbehorende erven;

b.      ter plaatse van de subbestemming Ww: uitsluitend het wonen in woonwagens;

c.       ter plaatse van de subbestemming Wm: tevens een maatschappelijke woonvoorziening in de vorm van een bijzondere woonvoorziening voor (een) bepaalde groep(en) die een zorgaf­hankelijkheid hebben van een zorginstelling.

 

Bouwvoorschriften

2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a.       hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen;

b.      bijgebouwen;

c.       bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

3. Voor het bouwen gelden de aanduidingen op de kaart en de volgende bepalingen:

a.       gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend ter plaatse van een bebouwingsvlak toege­staan;

b.      de hoofdgebouwen op de gronden met de nadere aanwijzing (v) mogen uitsluitend vrij­staand worden gebouwd;

c.       de hoofdgebouwen op de gronden met de nadere aanwijzing (t) mogen uitsluitend vrij­staand of twee-aaneen worden gebouwd;

d.      de hoofdgebouwen op de gronden met de nadere aanwijzing (a) mogen vrijstaand en aan­een worden gebouwd;

e.       uitsluitend op de gronden met de nadere aanwijzing (s) mogen de hoofdgebouwen gesta­peld worden gebouwd;

f.       de hoofdgebouwen op de gronden met de nadere aanwijzing (l) mogen uitsluitend als land­huis worden gebouwd;

g.      op de gronden met de nadere aanwijzing (e) zijn uitsluitend aan- en uitbouwen, bijgebou­wen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan;

h.       op de gronden met de nadere aanwijzing (vt) zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan;

i.        ter plaatse van gronden met de nadere aanwijzing (v) deel uitmakend van een woonper­ceel zonder de nadere aanwijzing (e), mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten hoogste 40% van het perceel bedragen, met een maximum van 400 m2;

j.        ter plaatse van gronden met de nadere aanwijzing (l) mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen ten hoogste 20% van het perceel bedragen, met een maximum van 750 m2; gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van een perceel met een oppervlakte van ten minste 10.000 m2;

k.       ter plaatse van gronden met de nadere aanwijzing (e) mag:

1.   voor zover deze gronden deel uitmaken van een perceel kleiner dan 500 m2, de ge­za­menlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoog­ste 50% van dit bebouwingsvlak bedragen, met een maximum van 60 ;

2.   voor zover deze gronden deel uitmaken van een perceel van of groter dan 500 m2, de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 50% van dit bebouwingsvlak bedragen, met een maximum van 90 ;

met dien verstande dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 15  onbebouwd en onoverdekt dient te blijven;

l.        de voorgevel van het hoofdgebouw dient in of binnen een afstand van 3.00 m evenwijdig aan de voorste bouwgrens te worden gebouwd;

m.     aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3.00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd;

n.       de afstand van vrijstaande en twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen aan de niet aan­eengebouwde zijde tot de perceelsgrens dient ten minste 3.00 m te bedragen;

o.      voor zover bijgebouwen niet in de perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot de perceelsgrens ten minste 1,00 meter te bedragen;

p.      er zijn ten hoogste twee vrijstaande bijgebouwen toegestaan;

q.      het tussen haakjes [..] geplaatste cijfer geeft het maximaal aantal woningen dan wel woon­wagens aan;

r.        de goot(- of boeibord)hoogte en / of bouwhoogte van gebouwen en andere bouwwerken mag ten hoogste bedragen:

 

 


                                                                  goot(- of                             bouwhoogte

                                                                  boeibordhoogte)

 


1.      van hoofdgebouwen                                                                        zie kaart        zie kaart en anders

                                                              4.00 m hoger dan

                                                                   goothoogte

2.      van aanbouwen                                     3.00 m                                 6.00 m;

       en bijgebouwenvan

3.      erfafscheidingen ter plaatse van gronden met de

       nadere aanwijzing (vt)                                                                      1.00 m;

4.      ter plaatse van de niet onder 3 genoemde gronden                           2.00 m;

5.      van andere bouwwerken                        -                                          3.00 m.

 

 


Nadere eisen

4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de situering en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2.50 m in de zijerfscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de op te richten bebouwing geen onnodig nadelige veranderingen teweegbrengt in de bezonningssitua­tie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdge­bouw, met dien verstande dat:

a.       daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;

b.      de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2.50 m;

c.       geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in lid 3 onder i, j en k ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.

 

Vrijstellingsbevoegdheid

Kleinschalige beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten

5. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1 voor de uitoefening van kleinschalige beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten in de woning met inachtneming van de volgende bepalingen:

a.       de woonfunctie dient in overwegende mate behouden en herkenbaar te blijven, waarbij het vloeroppervlak in gebruik voor de beroepsmatige activiteiten ten hoogste 25% van het bin­nenwerks vloeroppervlak van hoofdgebouwen en de daarbijbehorende aan- en uitbouwen mag bedragen, met een maximum van 50 m2 en voor bedrijfsmatige activiteiten ten hoog­ste 20% respectievelijk 20 m2;

b.      het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend; ten behoeve van een bedrijfsmatige activiteit mogen ten hoogste twee personeelsleden, waaronder de be­woner van het pand, werkzaam zijn;

c.       voor bedrijfsmatige activiteiten mag uitsluitend op afspraak worden gewerkt;

d.      het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan lei­den tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte;

e.       er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten;

f.       geen vrijstelling mag worden verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid die onder de werking van de Wet milieubeheer valt;

g.      vrijstelling wordt niet verleend indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;

h.       bij het toepassen van deze vrijstellingsbevoegdheid, wordt de procedure genoemd in arti­kel 29 lid 2 doorlopen.

 

Afstand aan- en uitbouwen en bijgebouwen tot voorgevel hoofdgebouw

5A. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3 onder m teneinde een kleinere afstand te kunnen toestaan, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a.       verlening van vrijstelling dient noodzakelijk te zijn in verband met een doelmatige situering van bebouwing;

b.      de afstand van de voorgevel van een aan- of uitbouw of bijgebouw aan de zijkant van een hoofdgebouw ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw, dient te minste 1 meter te bedragen;

c.       vrijstelling wordt niet verleend, indien daardoor de onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

 

Bestemmingen Archeologisch waardevol gebied en Molenbeschermingszone

6. Indien voor de in lid 1 bedoelde gronden tevens op de voorschriftenkaart de bestemming Ar­cheologisch waardevol gebied en / of op de kaart de bestemming Molenbeschermingszones zijn respectievelijk is opgenomen, dan zijn op deze gronden tevens de bestemmingen Archeolo­gisch waardevol gebied en / of Molenbescherming van toepassing een en ander onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 19 en / of 20.