Terneuzen Midden
Artikel 9 - Horeca (H)

9.1. Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor horeca (H) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. ter plaatse van de bestemmingsaanduiding H(1): gebouwen ten behoeve van horecavoorzieningen voorzover die voorkomen in categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten op de begane grond, met dien verstande dat uitsluitend in geval van een hotel meerdere bouwlagen ten behoeve van dat hotel zijn toegestaan;
  2. ter plaatse van de bestemmingsaanduiding H(2): gebouwen ten behoeve van horecavoorzieningen voorzover die voorkomen in categorie 1 en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten op de begane grond, met dien verstande dat uitsluitend in geval van een hotel meerdere bouwlagen ten behoeve van dat hotel zijn toegestaan;
  3. het wonen op de verdieping en in ondergeschikte mate op de begane grond;

alsmede voor:

  1. ter plaatse van de aanduiding (w)(s): particuliere bewoning van appartementen op de adressen Churchilllaan 628-698;
  2. ter plaatse van de aanduiding (w): particuliere bewoning van de dienstwoning Axelsestraat 174 bij de horecagelegenheid aan de Axelsestraat 174a, als ook bewoning van de etages boven de horecagelegenheid aan de Zuidlandstraat 16;

met de daarbijbehorende:

  1. aan-en uitbouwen en bijgebouwen;
  2. tuinen, erven en terreinen;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.2. Bouwvoorschriften
9.2.1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
  1. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met de voorgevel in n van de naar de weg gekeerde bouwgrenzen, dan wel op een afstand van ten hoogste 3.00 meter evenwijdig hieraan;
  3. het maximaal toelaatbaar oppervlak aan gebouwen en overkappingen mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 60%, tenzij op de verbeelding anders is bepaald;
  4. ter plaatse van de aanduiding (-z) zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan;
  5. de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen op hetzelfde bouwperceel dient ten minste 1.00 meter te bedragen;
  6. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan de op de verbeelding aangegeven maat bedragen;
  7. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan de op de verbeelding aangegeven maat bedragen en anders 4.00 meter hoger dan de toegestane goothoogte.

9.2.2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3.00 meter bedragen, met dien verstande dat:
    1. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2.00 meter bedragen;
    2. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vr de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1.00 meter mag bedragen;

9.3. Maximale hoogtematen

Voor bouwwerken gelden voorts de volgende maximale hoogtematen:

goothoogte bouwhoogte
1 van hoofdgebouwen zie verbeelding zie verbeelding en anders 4.00 m hoger dan goothoogte;
2 van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen 3.00 m 6.00 m;
3 van erfafscheidingen achter de voorgevel - 2.00 m;
4 van andere bouwwerken achter de voorgevel - 3.00 m;
5 van bouwwerken vr de voorgevel - 1.00 m.

9.4. Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de in lid 1 bedoelde gronden te wijzigen ten behoeve van een functiewisseling naar kantoren mogelijk te maken, een en ander met inachtneming van de volgende regels:

  1. planwijziging ten behoeve van de functiewisseling naar dienstverlening dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in artikel 6 en de volgende regels:
    1. nieuwvestiging van een dienstverlenende inrichting bedoeld als in artikel 6 lid 1 dient te voorzien in een lokale behoefte welke door de initiatiefnemer wordt aangetoond middels een daartoe ingesteld onderzoek dat als basis zal worden gehanteerd voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid;
    2. bij het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid, wordt de procedure genoemd in artikel 28 lid 2 doorlopen.
  2. planwijziging ten behoeve van de functiewisseling naar kantoren dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in artikel 10 en de volgende regels:
    1. nieuwvestiging van een kantoor dient te voorzien in een lokale behoefte welke door de initiatiefnemer wordt aangetoond middels een daartoe ingesteld onderzoek dat als basis zal worden gehanteerd voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid;
    2. bij het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid, wordt de procedure genoemd in artikel 28 lid 2 doorlopen.